De overledenen zijn onder ons ............


De vloer van de kerk bestaat voor en deel uit grafzerken. Een graf in de kerk werd voor de reformatie een voorrecht geacht waar de rijken graag voor betaalden. De middeleeuwer liet zich begraven met het gezicht naar het oosten, vanwaar hij de wederkomst van Christus verwachtte.
Begraven worden binnen de kerkmuren was te meer een privilege, omdat familieleden en anderen de laatste rustplaats gemakkelijk konden bezoeken. De welstand van de familie was af te lezen aan de decoraties van de grafzerk. De reformatie heeft in de gewoonte, "begraven in de kerk", geen verandering gebracht.

Het begraven in de kerk was een bedrijf apart dat geen directe band had met de hoofdfunctie van het gebouw. Dit bedrijf mocht op tijden dat er geen dienst werd gehouden vrijelijk beschikken over de vloer en de bodem van de kerk. De koster, tevens doodgraver, klokluider en hondenslager, had tot taak dit te regelen. Het begraven in de kerk verhoogde de inkomsten van de kerk aanzienlijk. De kerkmeesters zorgden voor een deugdelijke administratie in de grafboeken. In deze boeken staan de namen opgetekend van de personen die onder de grafsteen begraven zijn en tevens wordt het grafrecht vermeld (het bedrag dat betaald moest worden voor een bepaalde plaats). In deze grafboeken is duidelijk te zien dat de rijken in de kerk en de armen buiten de kerk begraven werden. Het begraven in de kerk gaf behalve overlast (het regelmatig openbreken van de vloer) ook onaangename geuren. De koster had tot taak dit zoveel mogelijke te beperken door het luchten op doordeweekse dagen. Dit kon echter nier voorkomen dat men het had over de "rijke stinkerds" in de kerk.

In de franse tijd werd het begraven in de kerk om gezondheidsredenen verboden. Na 1813 werd het  weliswaar weer gedaan, maar bij Koninklijk besluit van 24 mei 1825 werd het definitief verboden. Een uitzondering werd gemaakt voor de grafkelder van de ambachtsheren van Oost- en West IJsselmonde, die vroeger via een aparte toegang aan de zuidoostzijde van de kerk toegankelijk was. In 1880 werd hier voor het laatst iemand bijgezet. Sindsdien is de kelder afgesloten.

Bij de verbouwing van de kerk in 1923 werden de graven in de kerk geruimd. De zerken werden voor een groot deel weer in de vloer teruggelegd, maar niet meer op hun oorspronkelijke plaats vanwege een andere zitplaatsindeling. 

De grafkelder bleef intact. De stoffelijke resten bleven onaangeroerd, maar het dak van de kelder werd verlaagd zodat hierop in de kerk banken konden worden geplaatst (in het zuidertransept). De toegang werd verplaatst naar de zuidwesthoek aan de buitenzijde van de kerk en voorzien van een hardstenen zerk.

 

Wandelend over de zerken valt op dat familiewapens van de zerken verwijderd zijn. Dit is in de franse tijd gebeurd. Vrijheid, gelijkheid en broederschap brachten mee dat alle adellijke titels, wapens en onderscheidingen met grote hardnekkigheid van de zerken moesten worden weggebeiteld. 

Beschrijving zerken in de kerk:
| noordbeuk (1-7) | noordtransept (8-17) | zuidbeuk (18-29) | schip (30-38) |

In het pad van de zuidbeuk ligt een deel van de altaarsteen uit de rooms-katholieke periode. Deze steen is herkenbaar aan twee kruisjes op de hoeken.

Het begraven rondom de kerk duurde tot 1871. Sindsdien is de begraafplaats aan de Benedenrijweg in gebruik.

 


terug